Uitgelezen

Ditmaal in Uitgelezen een artikel over het nieuwste boek van Oliver Sacks ‘Musicofilia’. Oliver Sacks is in 1933 geboren in Londen. Hij volgde een studie Medicijnen aan de Oxford University en werd in 1966 neuroloog aan het Beth Abraham Hospital in Bronx (New York). Hij schreef eerder Awakenings (1973), De man die zijn vrouw voor een hoed hield (1985), Een antropoloog op Mars (1995).
Hieronder volgt het artikel dat overgenomen is uit De Volkskrant van 13 oktober 2007, geschreven door Pay-Uun Hiu.



Musicofiel
Wat doet muziek in onze hersenen? De neuroloog Oliver Sacks onderzocht de muzikale werkingskracht. ‘Muziek werkt niet op commando. Ze sluipt naar binnen.’
‘De achterdeur. Ja! Dat is ook zo.’ Oliver Sacks veert overeind. Niet omdat de vermaarde neuroloog in een vlaag van verstrooidheid de achterdeur van zijn NewYorkse appartement zou hebben laten openstaan (mocht er überhaupt een zijn), maar omdat het woord achterdeur hem aan iets herinnert. ‘Dat citaat van William James dat ik gisteren in mijn lezing voorlas, gaat in feite ook over een achterdeur.’
De werkruimte van Sacks biedt dezer dagen een wat rommelige aanblik, met overal stapels exemplaren van zijn nieuwste boek Musicophilia waarin hij op zoek gaat naar de werking van muziek in de menselijke geest. Maar Sacks pakt trefzeker James’ The Principles of Psychology uit de kast, het handboek van één van de aartsvaders van de psychologie. ‘U vindt het citaat op pagina 672 in deel 2’, zegt hij zonder een spoor van de afwezigheid die hem soms even overvalt. ‘Kunt u me misschien even mijn andere bril aangeven?’
Een dag eerder is hij een van de sprekers in het jaarlijkse festival van het Amerikaanse magazine The New Yorker. Daar uit hij zijn verbazing dat Williams muzikaliteit alleen maar terloops noemt als een overbodige aberratie die geen enkel ‘zoölogisch nut’ heeft.

Muziek is zeker geen plotselinge en nieuwe bevlieging van Sacks. ‘Ik kom uit een muzikale familie’, vertelt hij. ‘Mijn vroegste herinneringen zijn verbonden met muziek. Bach stroomde mijn oren in. Ik vond het prachtig en het scheurde me in tweeën omdat het zowel een cognitieve als emotionele ervaring was. Maar dat is nu eenmaal kenmerkend voor muziek.’
Sacks’ neurologische interesse voor muziek werd vooral gewekt door een aantal ingrijpende ervaringen die hij zelf onderging. De belangrijkste daarvan heeft hij beschreven in Een been om op te staan, een verslag van zijn ongeluk in 1974 in de Noorse bergen waarbij hij een pees in zijn linkerbeen scheurde.
Hij was alleen, mobiele telefoons bestonden nog niet. Op de maat van het Lied van de Wolgaslepers en andere mars- en roeiachtige liederen sleepte hij zich naar de bewoonde wereld. Daar werd hij professioneel geholpen en geopereerd, maar hij voelde zijn eigen been niet meer waardoor hij niet kon lopen. Pas toen hij in zijn hoofd de muziek van Mendelssohns Vioolconcert, een cassette die hij voortdurend in zijn ziekenhuiskamer beluisterde, begon het been als vanzelf weer te bewegen.
‘Waarom in ’s hemelsnaam dat vioolconcert van Mendelssohn?’, zou een musicoloog zich misschien afvragen. ‘Moet die man meteen gaan dansen met al die triolen aan het begin van het eerste deel? En zou het ook werken met het concert van Brahms, met die steile klauterpartijen voor de viool?’ Maar Sacks is een neuroloog en hij vroeg zich niet af of het een driekwarts- of een vierkwartsmaat was die zijn been weer in beweging zette. Hij wilde weten wat er in zijn hersenen gebeurde. Waarom zijn hersenen zijn been waren vergeten, wat er in welk deel van zijn hersenen opeens de signalen weer doorgaf en wat de neurologische basis was voor de muzikale werkingskracht.

‘Ik ben niet erg muzikaal. Ik speel een beetje piano, maar ik weet er weinig van. Ik zal waarschijnlijk ook een slechte smaak hebben’, erkent hij met een innemende lach. Zo dacht hij er verder ook niet over na wát hem nu zo aangreep in de muziek van de Tsjechische componist Zelenka – die hij bij toeval hoorde – dat de tranen die na het overlijden van zijn tante aldoor hadden vastgezeten, opeens begonnen te stromen. En een vriend van hem moest hem vertellen dat de melodie die op een goed moment zo obsessief in zijn hoofd zat uit Mahlers Kindertotenlieder kwam en dat dat samenhing met het ontslag dat hij had genomen bij de kinderafdeling van het ziekenhuis waar hij werkte. ‘Ik hou niet eens van Mahler’, zegt Sacks. ‘Hij is mij te neurotisch. Net als Wagner.’
Wat hem meer en meer intrigeerde, zijn de overweldigende kracht van muziek en van muziektherapie. En niet alleen door zijn eigen ervaringen. Gaandeweg bouwde hij een steeds groter reservoir op van patiënten die ofwel geconfronteerd werden met hoogst curieuze muzikale aandoeningen, ofwel op een opmerkelijke manier baat vonden bij muziek, zoals de ‘slaapzieken’ met parkinsonachtige verschijnselen aan wie Sacks zijn boek Awakenings wijdde. ‘Ik had er al in grote lijnen over geschreven, maar wat echt de aanleiding vormde voor Musicophilia is de explosie van neurologische studies in relatie tot muziek.’

Het is een indrukwekkende verzameling geworden. Al langer bekend – maar nooit bewezen – zijn de therapeutische werking van Davids harp op koning Saul en de destructieve invloed van de gezangen bij de muren van Jericho. Minstens even miraculeus is de plotselinge muzikaliteit van Tony Cicoria, een orthopedisch-chirurg die nooit veel om muziek gaf, maar (letterlijk) door de bliksem getroffen een onstilbaar verlangen heeft naar pianomuziek en op latere leeftijd nog meer dan behoorlijk leert spelen en componeren. Dit geval van ‘musicofilie’ is door Sacks nauwkeurig en gedetailleerd beschreven en onderzocht.
Dat geldt ook voor de andere hoogst opmerkelijke patiënten die Sacks onder zijn hoede neemt: Dwight Mamlok die wordt geplaagd door muzikale hallucinaties – muziek die onophoudelijk, onvermijdelijk en obsessief in zijn hoofd blijft doorspelen. En dan ook nog eens muziek waar hij helemaal niet van houdt. Silvia N. die epileptische aanvallen krijgt van Napolitaanse liederen. D.L. een dame van in de 70 die uit een muzikale familie komt, maar zelf niet in staat is muziek waar te nemen. ‘Ze was gisteren ook bij de lezing’, zegt Sacks terloops. ‘Ze kwam na afloop naar me toe en zei dat ze er tamelijk droevig van was geworden omdat iedereen alleen over het plezier in muziek sprak en zij dat nooit had gekend.’

Voor deze patiënten is muziek eerder een vloek dan een zegen. Bij mensen met Parkinson of Gilles de la Tourette kan de ritmiek van de muziek een activerende en regulerende werking hebben op hun motoriek.
Maar er is ook muziek die een route naar andere delen van de hersenen volgt. Dat is muziek die zich, vaak onverhoeds, regelrecht in het hart boort. Het Miserere van Gregorio Allegri bijvoorbeeld, of Dido’s Lament van Purcell. Of het is muziek die zachtjes het geheugen binnenglijdt en herinneringen opwekt die zich op geen enkele andere manier meer laten wakker kussen. Muziek die direct spreekt in een taal die geen aanspraak maakt op rationele gedachten en verstandelijk geformuleerde begrippen. Die een brug slaat naar menselijk leven dat van de wereld is afgesloten, zoals dat van Harry S. die na een hersenbloeding niet meer in staat was gevoelens aan gebeurtenissen te koppelen. Behalve wanneer hij zong. En dat van musicoloog Clive Wearing die door een herseninfectie zijn geheugen kwijtraakte. Maar hij kon nog noten lezen, pianospelen en zingen – samen met zijn vrouw, voor wie hij nog wel liefde kon voelen en die ook aldoor bij hem bleef. Zij schreef: ‘Ineens hadden we een plek om samen te zijn, waar we onze eigen wereld weg van de afdeling konden scheppen.’

Bij het waarnemen, voorstellen en de emotionele respons op muziek worden heel veel hersengebieden gebruikt, aldus Sacks. Ook delen die tot de primitievere hersenen worden gerekend, zoals de basale ganglia en het cerebellum. Het is vaak zo dat bij ziekten die de hersenen aantasten, zoals Alzheimer, die gedeelten het langst in tact blijven. Zou het mogelijk zijn, vraag je je af bij het lezen van die verhalen, die manier van communiceren te systematiseren en kan muziek daarbij een hulpmiddel zijn? Kun je via muziek contact leggen?
Sacks aarzelt. ‘Ja’, zegt hij dan. ‘Hoewel het wel de vraag is wát je dan precies communiceert. Je kunt geen dingen bespreken, daar heeft muziek de kracht niet voor, maar je kunt zeker contact hebben, stemmingen oproepen en delen en misschien kun je zelfs zoiets communiceren als hoop, vreugde, verdriet en troost.’ Bovendien is dat dan heel individueel. Iedereen maakt een eigen persoonlijke muziekkast met stukken waarvan hij houdt en in relatie tot bepaalde gebeurtenissen een betekenis hebben. Daarbij: zelfs luisteren naar muziek is zo’n individuele bezigheid dat er bij geen twee mensen die naar hetzelfde stuk luisteren exact dezelfde hersennetwerken worden geactiveerd. ‘Dus individualiteit is al ingebouwd in de neurologische respons op muziek.’

En er is nog iets. ‘Muziek is geen medicijn’, parafraseert hij de Engelse schrijver E.M. Forster. ‘Er is geen garantie dat ze bij inname werkt.’ Muziek heeft zoiets als een eigen wil. Sacks ondervond het zelf toen hij naar een concert ging met Schuberts Winterreise door bariton Dietrich Fischer-Dieskau in de vaste veronderstelling dat hiermee zijn emoties zouden loskomen. Er gebeurde niets. Hij dacht dat Fischer-Dieskau over zijn top heen was, maar las de volgende dag in de recensies dat de zanger nog nooit zo goed was geweest. ‘Ik was het die weer levenloos, ingekapseld en bevroren was geworden – ditmaal zo bevroren dat zelfs Schubert niet tot me wist door te dringen’, schrijft hij in zijn boek. ‘Muziek werkt niet op commando. Je moet er klaar voor zijn om haar te ontvangen en de muziek moet zich ook willen geven.’
Het klopt, knikt hij. ‘Een groot deel van het effect van muziek gaat buiten het bewustzijn om. Ze sluipt naar binnen, net als de madeleines van Proust’, zegt hij terwijl hij naar de madeleine-cakejes wijst die de koffieketen Starbucks in zakjes van drie verkoopt; het cakeje dat in Prousts roman onmiddellijk een flashback veroorzaakt.
Inderdaad, de achterdeur. Als de voordeur van het bewustzijn niet meer opengaat, biedt muziek een weggetje achterom. Maar je weet nooit precies waar je binnenkomt. Dat is het lastige. Er is zo veel wat we niet weten. ‘Wat is de aard van ontvankelijkheid. Van openheid?’, vraagt Sacks. ‘Muziek is een gift. Maar wel een zeer complexe.’

Meer informatie:

Oliver Sacks: Musicophilia. Tales of Music and the Brain. Knopf, 2007.

Oliver Sacks, Musicofilia, muziek en het brein , uitgeverij Meulenhoff, 2007
(zie ook een interview in de NRC dd. 30/11/2007)